Geplaatst op 11 juni 2026
Verzekeringsrecht en een kort geding; niet alles is geschikt
Een kortgedingprocedure is een specifieke procedure. Niet alle disputen lenen zich voor een dergelijke procedure. Of ze voldoen niet aan de voorwaarden die gelden voor een kortgedingprocedure. Twee verzekeringsrechtelijke voorbeelden uit het weekoverzicht (1 tot en met 7 juni 2026) van De Rechtspraak tonen dit aan.
Volledige uitkering arbeidsongeschiktheidsverzekering
Bij Rechtbank Limburg ging het om een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De verzekeraar heeft geen volledige uitkeringen verricht in het verleden, gebaseerd op de toenmalig vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Deze mate is echter herzien en nu vordert verzekerde in kort geding alsnog de hogere uitkeringen. Verzekerde procedeert in de rechtbank van zijn eigen woonplaats en heeft de foutieve naam van de verzekeraar in de dagvaarding opgenomen. Dit staat echter een beoordeling door de voorzieningenrechter niet in de weg. Nu het een kwestie is tussen een verzekeraar en consument is ook de rechtbank van de woonplaats van eiser bevoegd. En de verzekeraar is door de verkeerde tenaamstelling niet onredelijk in haar belangen geschaad. Ook is de fout tijdig gerectificeerd. De rechter komt dus toe aan een inhoudelijke beoordeling.
Beoordeling voorzieningenrechter
De spoedeisendheid wordt door verzekerde ingekleurd door de stellingen dat verzekerde afhankelijk is van het inkomen uit de verzekering. De verzekeraar betwist het spoedeisende belang. Verzekeraar beroept zich ook op het restitutierisico. Verzekerde zat immers in de schuldsanering.
De voorzieningenrechter bestempelt de vorderingen als een geldvordering. Dit volgt ook uit jurisprudentie. Een dergelijke vordering in kort geding kan alleen als het bestaan en omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn. Verder moet sprake zijn van onverwijlde spoed. Tot slot staat het restitutierisico niet aan toewijzing in de weg. De rechter is van mening dat de vordering onvoldoende aannemelijk is. Partijen verschillen over de mate van arbeidsongeschiktheid. Die werkt door in de omvang van de uitkering. De mate kan alleen door een deskundige worden vastgesteld. Daarvoor leent een kort geding zich niet. Ook de financiële noodsituatie is door verzekerde onvoldoende gesteld. Temeer nu de verzekeraar momenteel al een volledige uitkering betaald. Tot slot is sprake van een aanzienlijk restitutierisico. Dit omdat verzekerde heeft aangegeven de leningen af te willen lossen. Daarmee ‘verdwijnt’ het geld meteen. De vorderingen worden dus afgewezen.
Een vordering uit een verzekering kan dus maar in specifieke situatie gevorderd worden in kort geding. Het is dus van belang om deze feiten en omstandigheden op voorhand goed in beeld te brengen.
Geen dekking na verhuizing en brand in het nieuwe pand
In de procedure bij de Rechtbank Gelderland speelt de situatie dat er geen verzekering/dekking was ten tijde van een brand. Er was al sprake van een particuliere en zakelijke verzekering bij Univé Oost Brandverzekeraar met als tussenpersoon Univé Bemiddeling. De onderneming verhuist en het nieuwe adres wordt (ruimschoots na de verhuizing) doorgegeven aan de verzekeraar. Aangegeven wordt dat het nieuwe adres verzekerd is, maar dat het naar een andere regio moet. Voordat een en ander definitief geregeld is, brandt het nieuwe pand af waarin de onderneming gevestigd is. Nadat een onderzoek is verricht naar de oorzaak van de brand, wijst Univé alsnog de dekking af. Het nieuwe adres was (nog) niet verzekerd was. Verzekerde spreekt in kort geding, beide verzekeraars en de bemiddelaar aan. Verzekerde vordert in het kort geding alsnog dekking en uitkering.
Verweren Univé
De oorspronkelijke verzekeraar voert de volgende verweren aan. De verhuizing is niet correct en te laat gemeld. De nieuwe vestigingsplaats viel buiten de regio van Univé Oost. Daarmee zou de verzekering zijn geëindigd. Ook is de gewijzigde (risicovollere) activiteit van de onderneming niet gemeld. Tot slot is de precontractuele mededelingsplicht geschonden. De nieuwe verzekeraar stelt dat er nooit een verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen. Ook was geen sprake van contractovername of stilzwijgende voortzetting. Hiervoor had eerst een nieuwe beoordeling moeten plaatsvinden. De toezeggingen van de bemiddelaar kunnen niet aan de nieuwe verzekeraar worden tegengeworpen. Univé Bemiddeling stelt dat zij de verhuizing tijdig en correct heeft doorgegeven. Duidelijk was dat bij de nieuwe verzekeraar een aanvraagtraject opgestart moest worden. Het causaal verband tussen het gestelde tekortschieten van de bemiddelaar en de schade ontbreekt.
Oordeel voorzieningenrechter
Er moet sprake zijn van spoedeisend belang. Ook is bij een voorschot op een schadevergoeding terughoudendheid geboden. De vordering moet voldoende aannemelijk zijn. Het moet met grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten zijn dat de bodemrechter de vordering toewijst. Een onmiddellijke voorziening moet vereist zijn en het restitutierisico moet meegewogen worden. De spoedeisendheid wordt gevonden in het standpunt dat verzekerde zonder uitkering de onderneming niet kan voortzetten.
Oorspronkelijke verzekeraar
De oorspronkelijke verzekeraar heeft volgens de voorzieningenrechter op goede gronden de uitkering geweigerd. Het nieuwe adres valt niet onder het dekkingsgebied van de verzekeraar. Reeds om die reden is de verzekeraar niet tot uitkering gehouden. Daarnaast was de verhuizing niet correct doorgegeven. Op grond van de voorwaarden zou er geen dekking geweest zijn in de onderhavige situatie.
Nieuwe verzekeraar
Ook de nieuwe verzekeraar is niet tot uitkering gehouden volgens de voorzieningenrechter. Er was (nog) geen verzekeringsovereenkomst gesloten. De verhuizing was onvoldoende om een wisseling van verzekeraar te creëren. Daarvoor had een nieuw acceptatieonderzoek verricht moeten worden. De toezegging van de bemiddelaar dat er dekking was, kan niet aan de nieuwe verzekeraar toegerekend worden.
Bemiddelaar
Verzekerde beroept zich volgens de voorzieningenrechter op de schending van de zorgplicht. De reikwijdte van de zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De zorgplicht strekt zich in ieder geval uit tot het risico van onverzekerd zijn en onderverzekering. Verzekerde heeft de verhuizing aan de bemiddelaar doorgegeven, maar wel drie maanden na ontvangst van de sleutel van het nieuwe adres. De bemiddelaar heeft doorgegeven dat de twee locaties verzekerd waren. Onduidelijk is echter of daarvoor voldoende feiten bekend waren, danwel of de bemiddelaar nader had moeten informeren. Dat vraagt een nader onderzoek. Daar leent een kort geding zich echter niet voor. Ook betwist de bemiddelaar het causaal verband tussen het gestelde tekortschieten en de gevorderde schade. Dit omdat de twee verzekeraars meerdere argumenten hebben aangedragen waarom er geen dekking was. Ook deze argumenten vragen nader onderzoek.
Daarmee is de geldvordering op de bemiddelaar onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het ontbreken van bemiddelen maakt dat verzekerde de onderneming niet kan voortzetten. Daardoor neemt het restitutierisico toe. Er wordt dus niet voldaan aan de vereisten voor een geldvordering in kort geding.
Conclusie
Beide uitspraken laten zien dat een geldvordering in kort geding aan strenge eisen is gebonden. In het verzekeringsrecht gaat het vaak om een geldvordering. Bij het starten van een kort geding moet dus goed getoetst worden aan deze vereisten. Weigert een verzekeraar uit te keren en wordt een kort geding overwogen? Gommer Advocaten kijkt graag met u mee.