Geplaatst op 03 maart 2026
Wat als één inkomen wegvalt: pensioen of verzekering? – deel I
Het overlijden van een partner is in de eerste plaats een persoonlijk drama, waar weinig mensen over willen nadenken. Maar naast het emotionele verlies ontstaat vaak ook een harde financiële realiteit: kan ik de huur- of hypotheeklasten nog dragen als mijn partner komt te overlijden?
Uit recent onderzoek van het Verbond van Verzekeraars is gebleken dat veel huishoudens financieel kwetsbaar zijn bij het overlijden van een partner. Met name jonge huurders lopen een groot risico hun woning kwijt te raken wanneer één inkomen wegvalt. Maar ook onder woningeigenaren lijkt geregeld een adequaat vangnet te ontbreken. Opvallend is dat veel mensen denken dat zij “het wel geregeld hebben”, terwijl uit onderzoek blijkt dat meer dan een kwart van de respondenten (zeer) kwetsbaar is.
In dit tweeluik worden dan ook de twee regelingen besproken die het verschil kunnen maken tussen financiële rust en het verliezen van een woning:
- Het nabestaandenpensioen (deel I), en
- De overlijdensrisicoverzekering (deel II).
Beide regelingen kennen hun eigen risico’s en vereisen een andere juridische beoordeling. Juist in de samenhang van de regelingen schuilt de oplossing voor veel financieel kwetsbare gezinnen.
Met dit tweeluik bieden wij inzicht in deze samenhang en de mogelijkheid om tijdig financiële zekerheid te creëren. Zo voorkomt u financiële kwetsbaarheid in een toch al ingrijpende periode.
Deel I: Is uw nabestaandenpensioen toereikend?
In het eerste deel van dit tweeluik bespreken wij het nabestaandenpensioen. Het nabestaandenpensioen (ook wel partnerpensioen genoemd) is onderdeel van de pensioenregeling via de werkgever. Bij het overlijden van een deelnemer ontvangt de partner een uitkering, vaak levenslang.
Nabestaandenpensioen onder de Wtp
Waar onder het oude stelsel partnerpensioen vóór pensioendatum kon worden opgebouwd op opbouwbasis, risicobasis of een combinatie daarvan, blijft onder de Wet toekomst pensioenen (hierna: Wtp) uitsluitend verzekering op risicobasis mogelijk. Dat betekent dat er geen waarde meer wordt opgebouwd voor het risico op overlijden.
Dekking bestaat derhalve alleen nog zolang de werknemer deelneemt aan de pensioenregeling. Bij uitdiensttreding vervalt de risicodekking in beginsel en kan er in zijn geheel geen aanspraak meer worden gemaakt op een nabestaandenpensioen. Dat maakt deze regeling gevoeliger voor baanwisselingen, sabbaticals of overstap naar zelfstandig ondernemerschap. Er bestaat een wettelijke uitloopdekking, maar deze is beperkt tot maximaal 3 of 6 maanden en eindigt bij nieuw dienstverband of pensionering.
Hoogte nabestaandenpensioen
Ook de berekening van de hoogte van het partnerpensioen verandert. De aanspraak wordt diensttijdonafhankelijk en uitgedrukt als percentage van het pensioengevend salaris. Hierbij geldt een wettelijk maximum van 50% voor het partnerpensioen en 20% voor het wezenpensioen. Dit kan voor jonge werknemers gunstig uitpakken, maar leidt in andere gevallen tot herverdeling van risico’s en kosten.
Daarnaast is het van belang om te beoordelen of het nabestaandenpensioen toereikend is om de vaste lasten van de achterblijvende partner te kunnen blijven dragen. Indien dit niet het geval is, kan een aanvullende voorziening wenselijk zijn, zoals een ANW-hiaatpensioen (tijdelijk extra nabestaandenpensioen).
De mogelijkheden om dit individueel aan te vullen verschillen per pensioenregeling. Bij een pensioenregeling die is ondergebracht bij een verzekeraar bestaat regelmatig ruimte voor individuele keuzes of aanvullende verzekeringen. Bij aansluiting bij een (verplicht gesteld) pensioenfonds zijn de keuzemogelijkheden doorgaans beperkter, omdat de inhoud van de pensioenregeling collectief is vastgelegd in het pensioenreglement. In dat geval moet worden nagegaan welke dekking en welke duur van het nabestaandenpensioen in het pensioenreglement zijn opgenomen.
Verschuiving risico’s nabestaandenpensioen
Hoewel de Wtp geen versobering heeft beoogd, verschuift het risico duidelijk naar de fase waarin iemand niet (meer) in dienst is. Denk hierbij ook aan het risico dat men werkloos raakt of in de ziektewet belandt, waarbij het uitlooprisico ook niet oneindig is. Het uitlooprisico is namelijk in deze gevallen beperkt tot 2 jaar.
In combinatie met hoge woonlasten, zoals het onderzoek van het Verbond van Verzekeraars laat zien, kan dat tot aanzienlijke financiële kwetsbaarheid leiden. Het is daarom essentieel om niet alleen het bestaan van nabestaandenpensioen te controleren, maar ook de aard van de dekking, de gevolgen van de Wtp én bij iedere wijziging van de arbeidssituatie.
Vooruitblik deel II: overlijdensrisicoverzekering
Is een nabestaandenpensioen niet mogelijk, ontoereikend of simpelweg onzeker door carrièrekeuzes, dan komt de tweede regeling in beeld: de overlijdensrisicoverzekering. Hierover meer in deel II van dit tweeluik.