Geplaatst op 12 mei 2026
Premieheffing: hoe ver reikt een pensioenclaim?
In de eerdere delen van de serie ‘Pensioen & Verplichtstelling’ hebben wij de gevolgen van de werkingssfeer en de mogelijkheid tot vrijstelling besproken. In dit artikel bekijken we wat er gebeurt indien een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds (Bpf) toch met terugwerkende kracht pensioennota’s oplegt. Hoe ver kan een dergelijke pensioenclaim reiken? En welke mogelijkheden heeft een werkgever om zich hiertegen te verweren?
Een claim komt vaak onverwacht
Het komt nog regelmatig voor dat een Bpf stelt dat uw onderneming al jaren geleden had moeten deelnemen. In dat geval kan het fonds een naheffing voor de pensioenpremies opleggen. Voor veel werkgevers komt dit als een verrassing, maar juridisch gezien is het vaak toegestaan. Toch zijn hier duidelijke grenzen en voorwaarden aan verbonden. Zo spelen terugwerkende kracht, verjaringstermijnen en de mogelijkheid van rechtsverwerking een cruciale rol bij de vraag hoe ver een pensioenclaim kan reiken.
Terugwerkende kracht als uitgangspunten
Als vaststaat dat uw onderneming onder de verplichtstelling valt, kan een Bpf pensioenpremies met terugwerkende kracht vorderen. Dit kan teruggaan tot het moment dat u onder de werkingssfeer viel. Het kan dus over meerdere jaren gaan en de bedragen kunnen aanzienlijk zijn. Zeker voor ondernemingen met een groter personeelsbestand kan dit financieel een groot risico vormen.
Het recente Booking-arrest uit 2025 illustreert dit nog maar eens: Booking.com werd geacht een “(online) reisagent” te zijn en deelneming aan het betreffende Bpf was verplicht vanaf 1999. Dit arrest benadrukt maar eens dat ook moderne (online) bedrijven of platformen onder een verplichtstelling kunnen vallen. In het geval van Booking.com gaat het zelfs terug tot 26 jaar geleden.
Verjaring biedt een belangrijke grens
Gelukkig zijn er grenzen. In veel gevallen geldt een verjaringstermijn van vijf jaar voor vorderingen tot betaling van pensioenpremies, zoals bepaald in artikel 3:308 BW. Dit betekent dat oudere vorderingen vaak niet meer afdwingbaar zijn.
De Hoge Raad verduidelijkte in het Booking-arrest de aanvang van deze verjaringstermijn. De verjaring vangt aan de dag volgend op de opeisbaarheid van de premie.
Opeisbaarheid wordt bepaald door de betalingstermijnen zoals vastgelegd in de Pensioenwet en de uitvoeringsovereenkomst met het Bpf. Artikel 26 Pensioenwet stelt daarbij maximale betalingstermijnen vast, zoals betaling binnen twee maanden na afloop van de maand óf binnen één maand na afloop van het kwartaal, afhankelijk van de gekozen premiesystematiek van het betreffende Bpf.
Voor een jaarpremie geldt een afzonderlijke termijn. Deze moet binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar zijn betaald. In het booking-arrest stond juist deze termijn centraal.
Uit het arrest volgt bovendien dat deze wettelijke termijnen van dwingendrechtelijke aard zijn. In een uitvoeringsovereenkomst of -reglement kunnen geen langere betalingstermijnen worden opgenomen dan in artikel 26 Pw is bepaald. Evenmin kan, in afwijking van dat artikel, worden bepaald dat een premie pas op een later moment opeisbaar wordt.
Ook als een Bpf geen premienota verzendt, geldt het verstrijken van deze wettelijke betalingstermijn als startpunt van opeisbaarheid en daarmee van de verjaringstermijn.
Daarnaast kan de verjaringstermijn worden verlengd:
- Als de werkgever opzettelijk de premie of de opeisbaarheid daarvan verborgen heeft gehouden (art. 3:320 BW).
- Of als het beroep op verjaring onaanvaardbaar is volgens redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW).
Bij vorderingen op basis van schadevergoeding kan een verlengde verjaringstermijn van 20 jaar gelden. Dit betekent dat de verjaringstermijn sterk afhangt van de juridische grondslag van de (pensioen)claim. Ook kan het gedrag van de werkgever of het betreffende Bpf hierbij een rol spelen, bijvoorbeeld door onjuiste of onvolledige informatieverstrekking.
Lees ook
Valt uw bedrijf onder de werkingssfeer, is onder voorwaarden vrijstelling mogelijk. Een uitleg van de zes vrijstellingsgronden inclusief of deze tot een verplichte of vrijwillige vrijstelling leiden.
Vrijstelling: wanneer hoeft u niet deel te nemen?Rechtsverwerking als verweer
Naast verjaring kan ook rechtsverwerking belangrijk en verstrekkend verweer zijn. Rechtsverwerking houdt in dat een schuldeiser zijn recht verliest terwijl dit recht nog niet is verjaard, omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is om nog een beroep te doen op dat recht (art. 6:2 en 6:248 lid 2 BW).
Van rechtsverwerking is sprake als één van de volgende situaties zich voordoet:
- De schuldeiser heeft bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hij zijn vorderingsrecht niet meer zal uitoefenen.
- Het zou voor de schuldenaar onredelijk nadelig of bezwarend zijn als de schuldeiser alsnog een beroep doet op zijn recht.
Belangrijk is wel dat het enkel verstrijken van tijd, oftewel het “lang stilzitten” van de schuldeiser, op zichzelf niet voldoende is om rechtsverwerking aan te nemen. Er moeten concrete omstandigheden zijn die het beroep van de schuldeiser onverenigbaar maken met de redelijkheid en billijkheid.
In het Booking-arrest werd dit principe van rechtsverwerking bevestigd. Booking.com kon namelijk geen beroep doen op rechtsverwerking, omdat Booking.com niet kon aantonen dat het Bpf zich zo had gedragen dat Booking.com erop mocht vertrouwen dat er geen vordering meer zou komen. Ook was niet gebleken dat Booking.com daardoor onredelijk werd benadeeld.
Conclusie en vooruitblik
Of een (volledige) pensioenclaim (over het verleden) van een Bpf standhoudt, hangt sterk af van de feiten en omstandigheden. Hoe heeft het Bpf zich opgesteld? Wat wist u of wat had u als werkgever kunnen weten? Is er sprake van formele aanschrijving of andere gedragingen vanuit het Bpf? De antwoorden op deze vragen zijn mede bepalend voor het succes van een claim (over het verleden).
Twijfelt u over de reikwijdte van een pensioenclaim, of verwacht u een discussie met een Bpf over rechtsverwerking? De advocaten van Gommer Advocaten denken graag met u mee en bekijken welke kansen voor u aanwezig zijn.
In het volgende deel van deze serie verschuift de aandacht naar de rol van de bestuurder. Hoe moet een bestuurder handelen bij confrontatie met (ambtshalve) premienota’s? Wanneer blijft een pensioenclaim rusten bij de onderneming en in welke situaties kan de bestuurder persoonlijk aansprakelijk worden?