Hoe de ‘invaardiscussie’ op te lossen in het PensioenAkkoord

Onderdeel van het PensioenAkkoord is de verplichting om opgebouwde pensioenrechten in te varen in het nieuwe systeem. De facto gaan dan uitkeringsovereenkomsten over in premieovereenkomsten en is de uitkering (mede en primair) afhankelijk van de beleggingsresultaten. Bij een voorwaardelijke uitkeringsovereenkomst bij (de meeste bedrijfstak)pensioenfondsen is uitkering overigens ‘in the end’ ook afhankelijk van onder andere het behaalde rendement, maar dan vanuit een collectief stringent juridisch kader. Op grond van art. 134 PW kunnen pensioenaanspraken en -rechten immers worden gekort.

De bedoeling is alsdan het individuele bezwaarrecht bij een collectieve waardeoverdracht op grond van artikel 83, tijdelijk buiten werking te stellen. Meerdere auteurs achten dit of juridisch niet haalbaar en in ieder geval zeer lastig. Hoewel ikzelf van mening ben dat dit zal meevallen – immers zoals gezegd ook het huidige pensioen is voorwaardelijk en dus onzeker en de facto wordt niemand er armer of rijker van; het wordt alleen anders – laat dit onverlet dat het beter zou zijn om de ‘discussie’ te voorkomen.

Het nieuwe pensioenstelsel

Toch zullen we naar een nieuw pensioenstelsel moeten en dus hebben we te maken met een ‘overgangssystematiek’. De oplossing zit dan mijns inziens in vrijwilligheid. Iedere deelnemer krijgt – na gedegen informatie – de keus om zijn opgebouwde rechten om te zetten of niet. Met dat vertrekpunt wordt ook aangeknoopt bij de leer van de Hoge Raad ten aanzien van wijzigingen in de arbeidsvoorwaarden: sprake moet zijn van een ‘welbewuste instemming’. Dan volgt de maatstaf voor de informatievoorziening vanzelf; dit vereiste is immers in de jurisprudentie reeds uiteengezet. De rechten, en dat kan per fonds en/of in een ‘gezamenlijk nieuw collectief fonds’ (lees APF), die achterblijven veranderen dan niet. Alleen de toekomstige opbouw vindt plaats in het nieuwe systeem. Dat daartoe (wellicht) ‘adequaat’ gecompenseerd moet worden blijft een feit, maar dat is een arbeidsrechtelijke en geen pensioen-juridische discussie.

Vanaf 2026 bestaan juridisch alleen nog premieovereenkomsten, zowel fiscaal als civiel. Dit is bijvoorbeeld vergelijkbaar als de ‘afschaffing’ van de zogenaamde streefregelingen per 2007.

Iedere deelnemer houdt dan wat hij heeft en ieder pensioenfonds houdt ‘twee kringen’ bij. Een kind kan de was doen. Op termijn zal uiteraard als gevolg van overlijden, pensionering, echtscheiding (conversie) en waardeoverdracht de ‘oude’ kring vanzelf ‘uitsterven’. Of het dan verstandig is om als ‘jongere’ in een ‘oude’ kring te blijven, vraag ik mij af. Maar die keus is aan iedereen.

Bent u benieuwd wat voor gevolgen het PensioenAkkoord heeft voor u, laat het ons weten via onderstaand antwoordformulier. 

Antwoordformulier